Blog

  • De experience economy en de progression of economic value

    De experience economy en de progression of economic value

    De koffieboon. Een grondstof pur sang. Geoogst en verhandeld over de hele wereld voor ongeveer $1.10 per pond, ongeveer 1 á 2 cent per kopje koffie. Ga je de koffie branden, vermalen, verpakken en verkopen, dan schiet de prijs al snel omhoog naar 5 tot 30 cent per kopje, afhankelijk van het merk en de kwaliteit. Verkoop je een kopje koffie op een terras, dan betaalt de klant daar zo €2,50 voor. Afhankelijk van wat je met de koffieboon doet verandert de economische aard van de koffieboon mee. Van grondstof, naar product, naar een dienst.

    Zo opent het boek “The Experience Economy” van Joseph Pine en James Gilmore. Het standaardwerk op het gebied van “de belevenisseneconomie” en sinds 1999 meerdere malen herzien en opnieuw uitgebracht. Vandaag de dag is het onderwerp nog steeds zeer relevant, en lijkt ook alleen maar relevanter te worden. Sla de krant open en je leest verhalen over ’traditionele’ spelers die ’transformeren’ om zo betere en mooiere ‘klantervaringen’ te bieden.

    Maar wat is de Experience Economy eigenlijk? Wat is een customer experience (of klantervaring in het Nederlands) en waarom moet ieder bedrijf in de toekomst gaan denken in termen van ‘ervaringen’? In de komende reeks artikelen laat ik dat zien aan de hand van het boek van Pine en Gilmore.

    Experiences als nieuwe bron van klantwaarde

    Wanneer een klant een dienst bij je afneemt, koopt hij een set aan ontastbare activiteiten die voor hem worden uitgevoerd door het bedrijf. Bij een ervaring betaalt de klant om tijd te spenderen aan een reeks van memorabele ervaringen die zijn opgezet door een bedrijf, vergelijkbaar met de manier waarop een theater dat doet. Het doel is om de verbinding met de klant te zoeken op een geheel persoonlijke wijze om zo meer waarde te bieden.

    Ervaringen zijn niet een nieuw fenomeen, ze zijn er altijd al geweest. Denk aan Walt Disney, die zijn tekenfilms een nieuwe dimensie gaf door in 1955 Disneyland te openen in California. Later kwam daar Disney World in Florida bij waarmee de wereld kennismaakte met het allereerste theme park. Gasten (geen klanten!) van het park werden niet alleen meegenomen in spannende attracties, maar ook in het hele verhaal eromheen. Voor iedere gast, zorgde de cast members (geen medewerkers!) voor de gehele productie, van licht tot geluid en van textuur tot aroma om zo een unieke ervaring te bieden.

    We moeten af van de ‘commodity mindset’

    Wanneer je een vliegtuigmaatschappij bent, zou je kunnen denken dat jouw enige taak is om mensen op tijd van A naar B te vervoeren tegen de laagst mogelijke prijs. Feitelijk is dat natuurlijk helemaal waar. Je ziet jezelf dan als een soort commodity, een grondstof, een basiselement, een bedrijf dat simpelweg een taak uitvoert. Maar dat is de verkeerde manier van denken, aldus Sir Collin Marshall, oud bestuursvoorzitter van British Airways.

    Hij stelde dat BA verder ging dan puur het vervullen van een uitvoerende taak en dat het op basis van de geboden ervaring de concurrentie aanging met andere luchtvaartmaatschappijen. De uitvoer van de vlucht is de basis van de service, maar door die te verrijken met ervaringen daaromheen bied je de klant meer waarde. Bijvoorbeeld door de klanten stress te ontnemen voorafgaand aan de reis, of door tijdens de vlucht onderscheidende activiteiten aan te bieden die de reis aangenamer maken. Je merk, bedrijf, je product of dienst is geen commodity, het is veel meer dan dat.

    Een ander voorbeeld, verder van huis, is het Amerikaanse Geek Squad. De Geek Squad helpt ondernemers die problemen hebben met hun computers of andere hardware. De Geeks zijn strak gekleed in witte overhemden met stropdas en badge en rijden rond in zwart/witte kevers, de zogenaamde Geekmobiles. Zo maken ze van een relatief simpele dienstverlening een bijzondere en memorabele ervaring.

    De economische verschillen tussen commodities, producten, diensten en ervaringen

    Er zijn vier verschillende economic offerings die we kunnen onderscheiden. Hieronder een overzicht van de vier economische eenheden en hun verschillen.

    Commodities

    Grondstoffen en materialen die we uit de natuur halen of daar maken. Denk aan groenten, koffie, metalen en olie. Ze zijn wat ze zijn er daarom is er nauwelijks mee te differentiëren en zijn ze verwisselbaar met elkaar. Na het oogsten, slachten of opgraven worden ze bewerkt om bepaalde eigenschappen aan de commodities toe te voegen. Daarna worden ze getransporteerd en in bulk opgeslagen. Ze worden verkocht door handelaren op basis van vraag en aanbod.

    Producten

    Van grondstoffen worden producten gemaakt. Die worden verkocht aan grote groepen anonieme klanten die ze vaak uit het schap of etalage kopen, uit de catalogus of op het web. Er bestaan grote verschillen in de features van producten, denk aan auto’s, soft-drinks of computers en ze kunnen vaak na aanschaf direct gebruikt worden. Daarom waarderen klanten producten meer dan commodities. Producten worden in voorraad gehouden en vaak in grote aantallen gemaakt.

    Diensten

    Diensten zijn ontastbare activiteiten, en aangepast aan de individuele wensen van klanten die men kent. Dienstverleners gebruiken vaak producten om een bepaalde dienst te leveren aan een klant, denk aan een kapper die een schaar gebruikt. Klanten waarderen de dienst meer dan het product dat nodig is om de dienst uit te voeren. De lijn tussen bedrijven die producten produceren en diensten leveren is dun, vaak loopt dat door elkaar heen. Een restaurant levert je bijvoorbeeld voedsel, maar zien we toch eerder als een dienstverlener. In een diensteneconomie eisen klanten service en worden diensten vaak geleverd als een manier om producten beter te differentiëren. McDonalds en een restaurant leveren allebei eten, maar doen dat op een totaal verschillende, onderscheidende manier. Met de komst van steeds meer diensten treedt ook hier het fenomeen op dat diensten steeds moeilijker van elkaar te onderscheiden zijn.

    Ervaringen

    Een nieuwe manier om meer waarde te creëren voor klanten is door ze ervaringen aan te bieden. Bij een ervaring zijn de diensten het podium en de producten de rekwisieten om te verbinden met klanten (engagement). Commodities zijn inwisselbaar, producten zijn tastbaar, diensten zijn ontastbaar en zo zijn ervaringen memorabel. Kopers van ervaringen waarderen het dat ze een tijd lang verbonden zijn en aandacht hebben voor wat het bedrijf ze gedurende een bepaalde tijd laat zien of in meeneemt. Net zoals klanten minder zijn gaan uitgeven aan producten om zo meer te besteden aan diensten, zo geven ze nu ook minder uit aan diensten en meer aan memorabele en hoog gewaardeerde ervaringen.

    Niet een klant heeft dezelfde ervaring, elke ervaring is uniek. De waarde van een ervaring is dat klanten er lange tijd van kunnen genieten, ook in een herinnering. Bedrijven die ervaringen bieden weten niet alleen geld te verdienen aan klanten, ze verdienen ook de spaarzame tijd en aandacht (zelfs liefde) van klanten.

    Economic Distinctions Pine en Gilmore
    Economic Distinctions overzicht van Pine en Gilmore

    Hoe maak je een ervaring voor een klant? ING the Thing!

    Waar moet je eigenlijk beginnen wanneer je producten maakt en je wilt een ervaring neerzetten voor je klanten? Best een hele uitdaging. Een hulpmiddel bij het neerzetten van een ervaring voor jouw product of dienst is door “-ing the thing” toe te passen. Bij gebrek aan een goede Nederlandse vertaling is het makkelijker om deze techniek in het Engels toe te passen. Het vertrekpunt is dat je geen aandacht geeft aan wat het product doet maar hoe de gebruiker het product gebruikt.

    In het boek komt duct tape voorbij als een geweldig voorbeeld van hoe je om een saai en doorsnee product tóch een ervaring neer kunt zetten. Als het met duct tape kan, dan kan het met alles.

    ShurTech is een Amerikaans producent van duct tape. De eerste stap die zij namen om van duct tape een ervaring te maken is door embedding the goods in an experiential brand. Ze noemden hun product Duck Tape en kozen een eend als logo. Het hoofdkantoor in Avon (Ohio) is opgezet als een theme park zoals Disney, waar allerlei creaties van Duck Tape te bewonderen zijn. Geïnteresseerden kunnen een tour met rondleiding boeken door de fabriek in Avon, of zoals ShurTech de stad zelf noemt: The Duck Tape Capital of the World!

    Duck Tape benadrukt dat ze hun product produceren voor klanten die zelf een ervaring willen neerzetten (producing goods that experience stagers need). Op de website van Duck Tape is een sectie met “Ducktivities” die allerlei voorbeelden geven van hoe je Duck Tape kunt gebruiken om bepaalde ervaringen neer te zetten. Bijvoorbeeld hoe je een stijlvolle tas kunt maken voor Halloween, volledig gemaakt van Duck Tape uiteraard.

    Een product ervaren doe je met al je zintuigen. Om daar meer mee te doen ging Duck Tape over op het sensorializing the goodsSommige producten ervaar je van nature eerder en intenser met meerdere zintuigen dan anderen. Wijn, kleding, muziek of snoep zijn producten die een sterke ervaring geven simpelweg omdat je ze intenser ervaart via je zintuigen. Hoe los je dat op met Duck Tape? Vrij simpel, door de Duck Tape in meerdere (20!), aansprekende kleuren te produceren (colorizing). Het ziet er leuk uit, het valt op en met de slogan “Show Your True Colors” daagt het klanten uit om deze kleuren allemaal te proberen.

    En voor het echte saamhorigheidsgevoel richt je natuurlijk een fanclub op (forming a goods club). De leden van de “Duck Tape Club” wisselen leuke ideeën met elkaar uit van dingen die je kunt maken met Duck Tape. Clubleden krijgen ook toegang tot exclusieve voordelen. Nog een mogelijkheid van “inging the thing”, is door je producten schaars te maken (making goods scarce). Zo heeft Duck Tape ’s werelds grootste rol Duck Tape gemaakt en die een speciale tour laten maken langs geselecteerde retailers. Klanten en fans konden bij de retailers langs om dit bijzondere product van dichtbij te komen bewonderen.

    Tot slot, en wellicht het belangrijkste component in de ervaring die Duck Tape neerzet, is het organiseren van events (staging goods events). Duck Tape sponsort ieder jaar het “Stuck on Prom” evenement, waarin laatste jaars van high school een scholarship kunnen winnen door zich te kleden in een jurk of pak dat volledig gemaakt is van Duck Tape. En dan is er natuurlijk ook nog het jaarlijkse “Avon Heritage Duct Tape Festival”, dat mede georganiseerd wordt door Duck Tape en waar allerlei creaties in een paradetocht aan de bezoekers voorbij trekken.

    Het doel van inging is om de aandacht van de klant te verleggen van het product en de dienst naar de ervaring die om het aanbod heen is gebouwd. Wanneer je kauwgom uit een kauwgomballenautomaat haalt, werp je een muntje in en de kauwgom komt door de automaat naar je toe gerold. De automaat levert hetzelfde product, gepaard met wellicht slechtere service want het duurt langer voordat je het product hebt, maar de gumball-spiring ervaring zorgt voor een stijging in de verkopen!

    Twee soorten inging

    Er zijn twee soorten van inging. De eerste is door te kijken naar alles wat je nu doet in je proces, product of dienst en daar vervolgens een betere of andere ervaring van te maken. Bij sommige vliegmaatschappijen zie je bijvoorbeeld dat het reviewing van de veiligheidsinstructies door het cabinepersoneel wordt omgetoverd tot een volwaardige cabaretact.

    De andere vorm van inging is de vorm waarbij je een volledig nieuwe ervaring bedenkt en lanceert. Denk aan hoe Apple het fenomeen podcasting heeft geïntroduceerd. Of bijvoorbeeld het zorbing, uit Nieuw Zeeland. In een grote opblaasbare bal, gemaakt door het bedrijf Zorb, rol je van een heuvel af.

    Stel jezelf de vraag: welke nieuwe –ing kan de basis vormen van een volledig nieuwe ervaring die je kunt aanbieden aan jouw klanten?

    De verandering van economische waarde: the progression of economic value

    In het begin van het artikel had ik het over de koffie, die van boon, tot gemalen koffie tot aan een capuccino op het terras steeds een andere, hogere prijs heeft. Een segment waar de laatste jaren ook steeds meer ervaringen worden verkocht (lees: waar steeds meer geld aan wordt uitgegeven) is de markt van kinderfeestjes. Vroeger waren die thuis met een stuk taart en een ronde koekhappen. De ingrediënten, zoals bloem, boter, suiker en eieren kocht je in de supermarkt en de taart bakte je zelf (een commodity en heel goedkoop). Later kocht je kant-en-klare pakken waar alle ingrediënten al in zaten (een product, iets duurder, maar nog steeds goedkoop) Later liet je de taart maken door iemand die de taart op de gewenste dag en tijd kwam bezorgen (een dienst, gemiddeld geprijsd). En sinds de jaren negentig kwamen daar de kinderfeestjes van McDonalds bij en tegenwoordig zijn de kids uren zoet in de escape-room (ervaringen, relatief duur).

    de prijs van een verjaardagsfeestje
    Van simpele verjaardag waarbij je losse ingrediënten voor de taart koopt, tot aan een ervaring buiten de deur. De klant geeft er steeds meer geld aan uit.

    Een ander mooi voorbeeld dat Pine en Gilmore in hun boek aanhalen is dat van The Pleasant Company, onderdeel van Mattel. Sinds de jaren 80 verkopen zij poppen met bijbehorende boeken die iets vertellen over de Amerikaanse geschiedenis. Later kwamen daar ook winkels bij, waar klanten (jonge meisjes) met hun poppen op de foto kunnen ($20) of met hun poppen naar de kapper kunnen ($19,95) om vervolgens af te sluiten met papa en mama in de lunchroom voor een broodje ($17-$26 per persoon). En natuurlijk gaan ze ook af en toe naar de speciale ‘late night events’ ($200-$240).

    Wat al deze voorbeelden laten zien, is dat met ieder opvolgende aanbod dat je een klant doet – van grondstof, naar product, naar dienst, naar ervaring – ook de waarde voor de klant stijgt. Dat komt omdat ieder aanbod relevanter is voor de klant en veel dichter in de buurt komt bij wat de klant zoekt. Omdat bedrijven vele soorten ervaringen kunnen creëren, kunnen ze zich ook goed differentiëren en onderscheiden, en daarmee een hogere prijs vragen die de klant ook bereid is te betalen.

    progression of economic value pine en gilmore
    Het Progression of Economic Value model van Pine en Gilmore. Van grondstof naar ervaring wordt het aanbod meer gedifferentieerd, relevanter voor de klant en de prijs hoger.

    Ervaringen worden in iedere branche steeds meer ontwikkeld. Van vliegvelden tot musea en van banken tot fitness centra. De normale wetten van vraag een aanbod blijven daarbij overigens volledig gehandhaafd: bedrijven die inconsistente ervaringen neerzetten, die te duur maken, of zich verslikken in de opzet ervan, zien de vraag naar hun ervaring afnemen. De groei van de industriële economie en de diensten economie bracht ons allerlei nieuwe producten en diensten waarvan we nooit hadden kunnen bedenken dat ze ooit zouden bestaan. Datzelfde staat te gebeuren met de Experience Economy. Alleen de bedrijven die weten hoe ze die ervaringen moeten neerzetten zijn de bedrijven die relevant blijven voor klanten en die in de komende decennia zullen floreren in deze nieuwe economie.

     

  • Platform Business Model: hoe haal je alles uit de platform revolutie?

    Platform Business Model: hoe haal je alles uit de platform revolutie?

    Facebook is een mediabedrijf maar maakt geen content. Uber is een taxibedrijf maar heeft geen auto’s. En Airbnb is een bedrijf dat de hotelindustrie op zijn kop heeft gezet maar zelf geen kamers of appartementen bezit. Welkom bij de Platform Revolutie, een ontwikkeling waarbij platformen een steeds groter deel gaan uitmaken van onze economie, die meer waarde bieden dan hun “traditionele” voorgangers, die spelregels veranderen en die de huidige markten volledig op zijn kop zetten.

    platform revolution boekIn hun boek Platform Revolution nemen Geoffrey Parker, Marshall van Alstyne en Sangeet Paul Choudary ons mee in de wereld van de platformeconomie. Wat zijn platformen, hoe werkt een platform business model precies, hoe creëren ze waarde en hoe manage je een platform effectief? Een heel interessant en overzichtelijk boek voor ieder bedrijf of ondernemer die hiermee aan de slag wil.

    Van pipeline naar platform

    Platformen zijn bedrijven die gebruikers bij elkaar brengen zodat die financiële of sociale transacties met elkaar kunnen doen die waarde creëren. De meeste bedrijven die we kennen zijn wat de auteurs noemen pipeline organisaties. Het bedrijf staat aan de ene kant van de pijplijn, de klant aan de andere kant. Het bedrijf (de producent) maakt iets voor de klant en duwt dat door de pijplijn naar de klant.

    Een platform pakt dat anders aan. Het platform stelt resources ter beschikking waar verschillende producenten en klantsegmenten gebruik van kunnen maken om zo transacties met elkaar te doen. Het platform is niet de eigenaar van dat wat tussen de producent en de klant wordt uitgewisseld. En precies dat is de voornaamste reden dat platforms zo snel kunnen groeien. En daarom kunnen ze een grote bedreiging vormen voor hun traditionele tegenhangers.

    Neem bijvoorbeeld YouTube. YouTube heeft een framework gebouwd waarmee gebruikers eenvoudig filmpjes kunnen uploaden en verder verspreiden op het web. Daar betaalt de gebruiker in dit geval niet voor, YouTube stelt dat gratis ter beschikking. YouTube is zelf ook niet de eigenaar van de video’s die geplaatst worden, die blijven van de gebruiker en de gebruiker kan zelf bepalen wanneer hij een video offline haalt. Het verdienmodel van YouTube is via advertenties en sinds kort ook door betaalde abonnementen waarmee gebruikers advertenties feitelijk afkopen.

    YouTube heeft snel kunnen groeien omdat het niet zozeer meer resources ter beschikking hoeft te stellen voor groei; het aantal gebruikers bepaalt de groei van het platform.

    Positieve netwerkeffecten

    Hoe meer gebruikers op een platform, hoe waardevoller het platform. De eerste fax bood niet zoveel waarde, want met maar één fax is er niemand om naar toe te faxen. Hoe meer mensen een fax hebben, hoe waardevoller dat communicatiemiddel wordt. Met platformen werkt het precies hetzelfde. Hoe meer gebruikers, hoe waardevoller het platform. En hoe waardevoller het platform, hoe meer gebruikers dat weer aantrekt. Het zogenaamde positieve netwerkeffect.

    Het positieve netwerkeffect is vaak tweezijdig. Dat is het geval wanneer op een platform twee partijen nodig zijn om waarde te creëren. Neem Ebay of Marktplaats als voorbeeld. Deze platformen worden aantrekkelijk voor gebruikers als er veel aanbieders zijn, maar andersom zijn platformen voor aanbieders interessant als er veel gebruikers (potentiële klanten) op zitten. Meer aanbieders op een platform betekent dus grotere waarde voor gebruikers en dat trekt nog meer nieuwe gebruikers aan. Meer gebruikers op het platform trekt weer meer aanbieders aan. Voilà, een tweezijdig positief netwerkeffect.

    Snel massa opbouwen met je platform is dus gewenst. De auteurs bieden een aantal regels waar een platform aan moet voldoen om zo snel als mogelijk te kunnen schalen:

    • Frictieloze toetreding (frictionless entry): maak de toetreding tot het platform voor alle doelgroepen zo eenvoudig mogelijk. Partijen moeten na aanmelding gelijk waarde kunnen creëren of een transactie aan kunnen gaan.
    • Maak een Side Switching Platform: maak het mogelijk om op het platform van rol te kunnen wisselen. Een gebruiker kan bijvoorbeeld ook een aanbieder worden, zoals bij Airbnb het geval is.
    • Pas op voor negatieve netwerkeffecten: veel gebruikers op je platform is mooi, maar door teveel gebruikers kan een platform ook waarde verliezen. Dit kan het geval zijn als er door teveel gebruikers geen goede matches meer gemaakt kunnen worden tussen aanbieder en gebruiker. Door bij de toetreding enige handmatige curatie toe te passen kun je dit voorkomen.
    • Zorg voor positive/negative same-side effects: denk bij de lancering van jouw platform na welke voordelen er zijn als er meer gebruikers op je platform komen. Bijvoorbeeld: als er meer gebruikers op Facebook komen, wordt het platform interessanter voor gebruikers omdat ze dan met meer mensen vrienden kunnen worden en dus met meer gebruikers informatie kunnen delen. Bedenk ook wat de nadelen kunnen zijn van meer gebruikers, dan kun je daar vast op anticiperen.
    • Zorg voor positive cross-side effects: als je een tweezijdig platform opzet (waar twee partijen nodig zijn om waarde te creeëren) bedenk dan wat het voordeel is als beide partijen groeien in aantallen op je platform. Bedenk ook de potentiële nadelen. Bijvoorbeeld: als er teveel aanbieders op een platform komen, dan neemt de concurrentie tussen aanbieders toe of de hoeveelheid ads die een gebruiker te zien krijgt.

    Zelf een platform opzetten, waar moet je op letten?

    Als je zelf aan de slag wilt met het opzetten van een platform of een platform business model, dan zijn er een aantal principes waar je je volgens de auteurs aan moet houden.

    Allereerst moet je in je ontwerp voor je platform business nadenken over de core interaction van je platform. De core interaction bestaat uit drie onderdelen:

    1. De deelnemers (participants)
    2. De value unit
    3. Het filter

    De participanten spreekt voor zich, dat zijn degenen die nodig zijn om een succesvolle en waardevolle transactie te bewerkstelligen. De value unit is datgene wat waarde creëert voor de eindgebruiker en wordt meestal gemaakt door een producent. De transactie tussen een producent en een gebruiker bestaat uit drie zaken: (1) informatie, (2) producten of diensten en (3) valuta. Op Amazon zoek je informatie over een product of dienst, vervolgens schaf je het product aan en je betaalt in dollars. Soms bestaat de value unit uitsluitend uit informatie (bijvoorbeeld op een platform als TheFork) en valuta hoeft niet per se in euro’s of dollars te zijn. De valuta kan ook “sociaal” zijn zoals een duimpje omhoog op YouTube.

    Tot slot, het filter. De wijze waarop een filter werkt op een platform kan bepalend zijn voor de waarde die het biedt. Bijvoorbeeld op Tinder, waar gebruikers aan elkaar gematcht worden. Tinder levert alleen waarde als die de juiste datingsuggesties doet. Het filter van welke gebruiker je te zien krijgt bepaalt voor een groot deel de waarde van Tinder voor de gebruiker.

    De belangrijkste doelen van een platform zijn het aantrekken van gebruikers (pull), het faciliteren van een transactie (facilitate) en het matchen van gebruikers en producenten (match). Bij het faciliteren van een transactie moet een platform nadenken over de manier daarop dat gebeurt. Er moeten regels en tools zijn die het makkelijker en duidelijk maken om een transactie te doen.

    Drie soorten platformdisruptie

    De disruptie die platforms teweeg brengen verslinden op de lange termijn de traditionele pipeline bedrijven. Platforms kunnen bijvoorbeeld heel snel het gedrag van consumenten veranderen. Waar het een aantal jaar geleden ondenkbaar was dat je bij een wildvreemde binnen zou stappen om een boormachine te lenen, is dat met een platform als Peerby volstrekt normaal geworden.

    Platforms zorgen er ook voor dat producenten toetreden tot de markt terwijl die zonder dat platform nooit toegetreden zouden zijn. Een mooi voorbeeld daarvan is wederom Airbnb. Daar waar de meeste huizeneigenaren nooit op het idee waren gekomen om hun huis te verhuren, werd dat met Airbnb opeens een heel aantrekkelijke gedachte. En dat komt hoofdzakelijk omdat Airbnb een infrastructuur aanbiedt die zo goed en simpel is dat het een no-brainer is om je huis in de verhuur te zetten. Zonder dat effectieve platform hadden huiseigenaren nooit eenvoudig hun huis te huur aan kunnen bieden en dus deden ze dat ook niet.

    En tot slot kunnen platforms sneller opschalen en groeien dan traditionele bedrijven omdat ze gebruik maken van de positieve netwerk effecten. Omdat platforms vaak webbased zijn, zijn ze efficiënter, wendbaarder en minder kapitaalintensief dan hun traditionele voorgangers.

    Globaal schetsen de auteurs drie manieren waarop platforms disruptie in een markt teweeg brengen:

    1. Platforms scheiden de ownership of assets van value: het eigendom van een asset staat los van de waarde die ze leveren. Je hoeft niet in het bezit te zijn van een auto, als je ook een Uber kunt pakken. Je hoeft niet in het bezit te zijn van een boormachine, als je die ook kunt lenen via Peerby.
    2. Re-intermediation: platforms zijn in staat de middleman uit een keten te halen waardoor een hele business op zijn kop gezet kan worden. In de muziekindustrie hebben agents het zwaar omdat Youtube een openbare poule van potentiële muzikale grootheden bevat.
    3. Market aggregation: een platform kan vele verschillende markten samen laten komen op één platform. Denk aan Alibaba die alle groothandels bij elkaar heeft gebracht op één centrale plek op het web.

    De Kip of het Ei-problematiek, hoe krijg je gebruikers op je platform?

    Platformen hebben een enorme potentie om te groeien en te schalen omdat ze gebruik kunnen maken van de positieve netwerkeffecten. Hoe meer gebruikers op een platform, hoe aantrekkelijker het platform wordt, des te meer nieuwe gebruikers het platform aan zal trekken. Maar hoe krijg je die eerste gebruikers op je platform? Of, als je een tweezijdig platform opzet, hoe krijg je zowel aanbieders als afnemers op je platform? Zonder aanbieders ben je niet interessant voor afnemers, maar zonder afnemers ben je niet interessant voor aanbieders. Wat nu?!

    De auteurs bieden een aantal nuttige strategieën die je kunt toepassen om de eerste gebruikers op je platform te krijgen. Hieronder vat ik ze kort voor je samen:

    • Betaal de eerste gebruikers geld: Uber paste deze strategie veelvuldig toe wanneer ze actief werden in een nieuw land. Chauffeurs kregen niet alleen betaald voor de ritten die ze maakten, ze kregen ook een vast uurtarief van Uber, of ze nu wel of niet ritten hadden gemaakt. Dat zorgde ervoor dat in ieder geval één groep op het platform actief was, de gebruikers zouden dan vanzelf volgen.
    • Rekruteer gebruikers van anders platforms: niet de meest chique methode, maar kan wel effectief zijn.
    • Seeding: met seeding zorg je ervoor dat je platform aantrekkelijk is voor tenminste één van de groepen die je graag op je platform wilt hebben. Als de ene groep aanwezig is, volgt de andere groep later. Hierop aansluitend kun je ook eerst starten met een single-sided platform waarbij je maar een groep gebruikers bedient. Als je een grote groep gebruikers hebt opgebouwd kun je later je platform transformeren naar een two-sided platform en een nieuwe gebruikersrol introduceren en toevoegen.
    • De Marquee Strategy: identificeer de belangrijkste gebruikers van je platform en zorg dat ze blijven. Maak ze ambassadeurs en stimuleer of beloon ze met extra incentives. Als de belangrijkste gebruikers lid blijven blijft je platform waarde leveren en kun je groeien.
    • Big Bang Adoptie: kondig je platform met de grootst denkbare bombarie aan om onder de aandacht te komen en op die manier gebruikers op je platform te krijgen. Twitter paste deze strategie toe door een grote introductie van zichzelf tijdens SXSW.

    Geld verdienen met een platform

    Een platform opzetten is één ding, een succesvol platform opzetten waarmee ook Euro’s op de bankrekening verschijnen een tweede. Platforms zijn waardevoller naarmate ze meer (of heel veel) gebruikers hebben en geld verdienen neemt dan exponentiële vormen aan. Maar tot die tijd kan de werkelijkheid weerbarstig zijn en is het erg moeilijk om een platform winstgevend te maken.

    De auteurs stellen vier strategieën voor waarmee je als platformeigenaar de eerste centen binnen kunt halen.

    • Vraag een transactievergoeding: laat gebruikers op je platform betalen voor de transactie die ze doen. Je platform is vrij toegankelijk en alle informatie is inzichtelijk maar zodra er een transactie plaatsvindt (en de waarde wordt overgedragen) moet een gebruiker gaan betalen.
    • Vraag een vergoeding voor toegang: je vraagt een bedrag (eenmalig of recurring) aan de gebruiker waarmee hij zichzelf toegang verleent tot het platform en gebruik kan maken van alle features.
    • Vraag een vergoeding voor enhanced access: je platform is in de basis gratis, maar voor bepaalde specifieke functies moet de gebruiker betalen.
    • Vraag een vergoeding voor uitgebreide filtering: sommige platforms worden interessanter wanneer het filter in het platform scherper kan worden ingesteld. Denk aan de manier waarop je advertenties inkoopt op bijvoorbeeld LinkedIn. Hoe specifieker je de doelgroepen instelt, hoe duurder de clicks op een advertentie worden.

    Je kunt hier een beetje mee experimenteren en je eigen draai aangeven. Je kunt bijvoorbeeld een deel van de gebruikers een fee in rekening brengen en de anderen gratis laten participeren. Sommige groepen op je platform hebben wellicht meer incentives nodig om mee te doen en dan kan dit een nuttige strategie zijn. Wees niet te snel met het invoeren van een prijsmodel. Kijk eerst of het platform aanslaat, of er gebruikers zijn en of die je platform überhaupt gebruiken. Ga dan nadenken over de geleidelijke invoer van een pricing strategie.

    Denk na over de openheid van je platform!

    Hoe “open” je je platform maakt bepaalt voor een groot deel ook het succes van je platform. De openheid van je platform wil zeggen dat het gebruikers en producenten vrij staat om te developen en ontwikkelen op je platform en om daar transacties te commercialiseren. Echter, bij teveel openheid verlies je als platformeigenaar de mogelijkheid om er structureel geld aan te verdienen en kan je platform een grote chaos worden. Bij te weinig openheid verliest het platform waarschijnlijk zijn aantrekkingskracht voor gebruikers en producenten om het platform te gebruiken.

    Myspace, een vroegere tegenhanger van Facebook, was een platform dat te weinig openheid gaf en daar uiteindelijk zelf de dupe van werd. Myspace stond het niet toe dat externe developers met de software werkten. Daardoor verloor Myspace snelheid in het ontwikkelen en releasen van nieuwe functies op het platform en kon het niet snel genoeg bugs wegwerken. Facebook hanteerde een andere strategie. Facebook maakte het mogelijk voor externe partijen om zelf “apps” met functionaliteiten binnen Facebook te releasen. Daardoor bleef het platform interessant voor de gebruiker en had Facebook genoeg tijd om de basis van het platform goed te onderhouden en verder uit te breiden. Dat maakte het mogelijk dat Facebook veel sneller kon groeien waardoor Myspace uiteindelijk het onderspit moest delven.

    Metrics om het succes van je platform te meten

    Hoe weet je of je platform een succes is en goed loopt? Wat zijn de zaken waar je naar kunt kijken? Hieronder een lijstje met de belangrijkste metrics.

    • Het aantal gebruikers: logisch, als de hoeveelheid gebruikers op je platform stijgt dan heeft je platform genoeg interesse van gebruikers om lid te worden.
    • Aantal succesvolle interacties: een platform is een succes wanneer de gebruikersgroepen op je platform een succesvolle interactie kunnen aangaan. Het aantal daarvan zegt dus iets over hoe goed je platform werkt en hoeveel waarde die biedt.
    • Liquidity: ook hier kijk je naar het aantal succesvolle interacties, maar dan afgezet tegen de hoeveelheid gebruikers die je op de platform hebt. Meer gebruikers maar een gelijkblijvend aantal succesvolle interacties is niet een hele positieve ontwikkeling. Stijgende interacties in combinatie met een groeiende groep gebruikers is uiteraard beter.
    • Matching quality: een platform is interessant en biedt waarde als gebruikers elkaar goed kunnen vinden en uiteindelijk een interactie met elkaar kunnen aangaan. Monitor dus het zoekgedrag van gebruikers, of ze een goede match kunnen maken en of dat uiteindelijk leidt tot een transactie.
    • Multi homing: gebruikers kunnen meerdere platforms gebruiken die allemaal leiden tot eenzelfde soort interactie of transactie. Dat fenomeen noem je multi homing. Uiteindelijk wil je als platformeigenaar dat gebruikers bij jou de transactie doen en niet ergens anders. Daarom is het belangrijk om te weten op hoeveel andere platformen gebruikers actief zijn en ook wat de ontwikkeling daarin is. Als gebruikers niet in toenemende mate op jouw platform een transactie doen, dan weet je dat je daar je strategie moet optimaliseren (bijvoorbeeld door meer samen te werken met andere platforms).

    Tot slot: kansen voor de ontwikkeling van platforms

    De auteurs bieden aan het einde van het boek nog een overzicht van gebieden waarvan zij denken dat platforms grote toegevoegde waarde kunnen bieden. Dat is onder andere op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg, logistiek, energie, financiën en de arbeidsmarkt.

    De ontwikkeling van een platform gaat niet over een nacht ijs. Een platform opzetten is met de technische mogelijkheden van vandaag de dag niet zo heel ingewikkeld, maar een effectief platform opzetten dat waarde biedt aan gebruikers én de eigenaar is lastiger. Het boek Platform Revolution biedt een uitstekend vertrekpunt voor iedereen die hier meer mee wil doen en kracht van een platform ten volle wil benutten.

  • De Corporate Identity Matrix: 9 bouwstenen voor een sterk merk

    De Corporate Identity Matrix: 9 bouwstenen voor een sterk merk

    Een sterke en heldere corporate identity geeft richting en zingeving, versterkt de positionering van de producten en diensten die worden verkocht, helpt bij het werven en behouden van medewerkers en beperkt reputatieschade in mindere tijden. Maar bedrijven vinden het vaak moeilijk om een sterke corporate identity te ontwikkelen en helder te krijgen waar hun brand voor staat.

    Met behulp van de corporate brand identity matrix wordt dat makkelijker. De 9 bouwstenen van de matrix vormen samen de corporate identity en bieden management teams een krachtige tool om het merk van de organisatie gedetailleerd en compleet in kaart te brengen. Diverse aspecten van de corporate identity worden uitgelicht, waaronder de missie, cultuur, kernvaardigheden en kernwaarden. De matrix wordt gebruikt om de relatie tussen moeder- en dochtermerken te verduidelijken, business development te ondersteunen, doelstellingen te evalueren of voor het herpositioneren van een merk.

    De matrix met de 9 bouwstenen

    De bedenkers van de matrix zijn Stephen A. Greyser (emeritus hoogleraar Harvard) en Mats Urde (associate professor Lund University). Sinds 2013 publiceren zij in de bekendere journals over deze matrix en in de Harvard Business Review van januari/februari van 2019 verscheen hier wederom een artikel over.

    corporate brand identity matrix
    De corporate brand identity matrix met de 9 bouwstenen. Bron: Harvard Business Review, january/february 2019

    Hierboven zie je de corporate brand identity matrix met de negen bouwstenen. In ieder vak staan een aantal vragen die het management team helpen om het betreffende aspect van de corporate identity te formuleren. De matrix bestaat uit drie lagen met bouwstenen te weten interne bouwstenen, externe bouwstenen en bouwstenen die zowel extern als intern zijn.

    Interne bouwstenen

    De interne bouwstenen vormen het fundament van iedere corporate identity. Ze bestaan uit de missie en visie van de organisatie, de cultuur en de competenties (kernvaardigheden) waar de organisatie over beschikt. De missie van Coolblue is om iedere klant blij te maken en te gaan voor een zo hoog mogelijke klanttevredenheid. Coolblue verankert dit in de cultuur door het nastreven van een “doe-niet-moeilijk” mentaliteit, “problemen lossen we op” maar ook een passie om de mondhoekjes bij de klant omhoog te laten gaan. De kernvaardigheden van Coolblue zorgen ervoor dat de missie en visie uitgevoerd kunnen worden. In het geval van Coolblue is de kernvaardigheid “service”. Denk aan snelle levering, snel te woord gestaan worden aan de telefoon, altijd voorraad, kortom een foutloos, snel en prettig proces.

    Externe bouwstenen

    De externe bouwstenen in de bovenste rij van de matrix hebben te maken met hoe de organisatie gezien wil worden door anderen, bijvoorbeeld klanten en andere stakeholders. De positionering van online opticien Charlie Temple is dat zij voor heel weinig geld een bril op sterkte kunnen leveren. Een goedkope speler in een markt waar in de regel hoge marges worden gemaakt. De waardepropositie (value proposition) die daarmee samenhangt is dat de brillen zo goedkoop zijn dat de klant iedere dag een andere bril zou kunnen dragen. De relatie met de klant is volledig online, wat deels ook bijdraagt aan de goedkopere positionering.

    Externe/Interne bouwstenen

    In de middelste laag van de matrix vinden we alles wat de brug vormt tussen de interne en externe bouwstenen. Deze hebben te maken met de kernwaarden van de organisatie, de onderscheidende manier van communiceren en het “karakter” van het bedrijf. In de kernwaarden van bijvoorbeeld IKEA vinden we zaken als eenvoud, humbleness, kostenbewustzijn, verantwoordelijkheid nemen en delegeren, samen dingen doen en de wil om te vernieuwen. Wanneer de corporate identity een coherent geheel is, vormen alle elementen uit de matrix een echo van de kernwaarden en datgene waar het merk voor staat.

    5 tips voor het invullen van de matrix

    Wanneer je aan de slag gaat met het invullen van de matrix, geven Greyser en Urde vijf tips om dat zo goed mogelijk te doen.

    1. Hou het kort. Geef in korte zinnen antwoorden op de vragen uit de matrix. Dat communiceert beter en brengt de boodschap goed over. Zie het als het maken van kopteksten. De koptekst is kort, krachtig en vertelt de boodschap. Daaronder kun je in een alinea gedetailleerd uitwerken wat je er precies mee bedoelt.
    2. Maak het duidelijk. Vermijd jargon en vaktaal, less is more. IKEA omschrijft de relatie met de klant simpelweg als “Hallo!”. Eén woord, simpel, duidelijk en in lijn met de kernwaarden.
    3. Maak het karakteristiek. Verpak de antwoorden op de vragen uit de matrix zodanig dat iedereen het erover eens is dat het een goede reflectie is van de organisatie. Iedereen moet kunnen zeggen: Dit zijn wij! Een hotel in Oslo omschrijft de relatie met de klant bijvoorbeeld als volgt: We treat rockstars as guests; we treat guests as rockstars.
    4. Blijf authentiek. Blaas de dingen niet op en blijf eerlijk. In sommige antwoorden zit misschien de aspiratie om iets te zijn. Iets wat je nu nog niet bent maar graag wilt worden. Als dat zo is, zet alles dan in beweging om daar te komen.
    5. Maak het tijdloos. Een lastige, maar ijzersterk als dit lukt. Een corporate brand identity zou een blijvertje moeten zijn en dus tijdloos. Patek Philippe weet de brand identity treffend tijdloos te omschrijven: “You never actually own a Patek Philippe. You merely look after it for the next generation”.

    De matrix als kloppend verhaal

    Wanneer je alle bouwstenen hebt ingevuld en de vragen hebt beantwoord is het tijd om te kijken of de matrix klopt, of die loopt. Je kunt je matrix zien als een verhaal wat van boven tot onder, links naar rechts en over de diagonaal op elkaar aan moet sluiten. Sommige bouwstenen in de matrix raken de strategie van je organisatie, anderen zeggen (indirect) iets over je relatie met concurrenten en weer andere bouwstenen iets over de interactie met klanten en collega’s. Loop je matrix op deze manier eens door, kijk goed naar de antwoorden die je hebt ingevuld en beoordeel met het management team of alle facetten in lijn met elkaar zijn.

    corporate brand identity matrix kloppend maken
    Loop de corporate identity matrix langs van links naar rechts, onder tot boven en over de diagonalen en kijk of het verhaal klopt. Bron: Harvard Business Review, january/february 2019

    Dit bericht is gebaseerd op het artikel “What Does Your Corporate Brand Stand For?” van Stephen A. Greyser and Mats Urde en verscheen in de Harvard Business Review van januari/februari 2019.

     

  • De Grit Factor: over doelen, doorzettingsvermogen en passie

    De Grit Factor: over doelen, doorzettingsvermogen en passie

    Doe wat je leuk vindt in je leven. Dat maakt alles makkelijker. Als je doet wat je leuk vindt voelt je werk niet als werk, kun je er eindeloos mee doorgaan, word je er waarschijnlijk kei- en keigoed in, bereik je je doelen en word je uiteindelijk een gelukkiger mens. Je ‘passie zoeken’ is dus belangrijk. Of toch niet?

    Grit verscheen in 2016 en is geschreven door Angela Duckworth, professor bij de Amerikaanse universiteit van Pennsylvania. In het boek laat ze zien dat het bereiken van succes niet zozeer een gevolg is van het hebben van veel talent, maar van een bijzondere mix van passie en doorzettingsvermogen: grit.

    Talent versus hard werken

    Angela Duckworth stelt in haar boek dat we allemaal zeggen dat hard werken belangrijker is voor het behalen van succes dan het hebben van talent. Meerdere landelijke studies uit de VS laten zien dat ook zien. Grofweg 66% van de respondenten in deze studies zegt hard werken, toewijding en vastberadenheid belangrijker te vinden voor het behalen van successen dan het hebben van talent.

    Grit door Angela DuckworthMaar daar waar we zeggen dat we hard werken belangrijk vinden, denken we diep in ons hart iets anders…

    Ze haalt een mooi experiment aan van de Chinese psycholoog Chia-Jung Tsay waarbij een groep respondenten (muzikale experts) twee keer hetzelfde muziekstuk op de piano te horen kregen. De respondenten werd verteld dat het ene stuk gespeeld werd door een natuurtalent, het andere stuk door iemand die er lang en hard voor had geoefend.

    Op de vraag welke van de twee muziekstukken de experts het best vonden, antwoorden de respondenten dat ze het stuk van het natuurtalent beter vonden dan het stuk van de harde werker. Je raadt het al: de respondenten hoorden twee keer precies hetzelfde muziekstuk achter elkaar, gespeeld door een en dezelfde persoon.

    En dat terwijl de experts vooraf aan het experiment hadden aangegeven dat hard werken en doorzettingsvermogen belangrijker zijn voor muzikaal succes dan talent.

    Tsay vond dezelfde effecten in een zakelijke context. Hard werkende ondernemers hadden meerdere jaren nodig en tenminste $40.000 extra in startup kapitaal om op gelijk niveau te komen met de “getalenteerde” ondernemers. Ook worden medewerkers hoger gewaardeerd als ze worden gezien als “natuurlijke netwerkers” versus medewerkers die gewoon hard hebben moeten werken om een netwerk op te bouwen.

    Skill versus Achievement

    Ergens goed in zijn is niet hetzelfde als dingen bereiken. En er is een verschil tussen talent en bekwaamheid (skills). Skills opbouwen of ergens goed in worden bereik je alleen door tijd te investeren in het talent dat je al hebt en door er iets mee te doen.

    Je kunt het zien als een formule: talent X inspanning = skills.

    Maar ergens goed of bekwaam in zijn betekent nog niet dat je veel bereikt. Om dingen te bereiken, moet je skills weer in de formule gebruiken:

    skills X inspanning = resultaten

    Een atleet met veel talent moet veel tijd en energie besteden om beter en meer skilled te worden. Maar om de Olympische Spelen te winnen gaat vooral de hoeveelheid inspanning bepalen of hij daar ook een medaille kan pakken.

    Het goede nieuws is dat je met inspanning dus veel kunt compenseren. Met minder talent kun je ook heel bekwaam worden, je moet er alleen wat meer tijd in steken dan een ander. En door veel te doen met de skills die je hebt opgebouwd bereik je uiteindelijk ook resultaten.

    Door doelen te stellen bereik je meer

    Dit is waarschijnlijk de grootst mogelijke open deur van het boek, maar als je er goed over nadenkt daardoor niet minder krachtig: mensen die doelen stellen bereiken meer. Simpelweg door te bedenken wat je wilt, bereik je meer dan wanneer je helemaal geen doel voor ogen hebt.

    Door doelen te stellen worden dingen ook makkelijker voor je. Als je als doel hebt dat je 10 kilo af wilt vallen, dan weet je waar je het allemaal voor doet. Je hebt dagen waarop het moeilijk is om een gebakje te laten staan, maar je ziet ook het grotere plaatje. Namelijk dat je daar wel slanker van wordt en straks die spijkerbroek weer aan kunt.

    Je grote doel moet alleen geen frustratie worden. Dat voorkom je door je doelen op te knippen in stukjes. Wat is er nodig om dat ene grote doel te bereiken? Vaak zijn er kleinere tussenstapjes nodig. Als je arts wilt worden, zul je eerst je tentamens moeten behalen. Daarna je co-schappen doorlopen. Daarna specialiseren. En dan uiteindelijk word je dokter. Door je doel op te knippen past het beter in je day-to-day activiteiten. Dat maakt het makkelijker om het te halen.

    Doe wat je leuk vindt… en accepteer dat je ook wel eens een off-day hebt.

    Doen wat je leuk vindt draagt bij aan jouw motivatie. In een Amerikaanse survey uit 2014 bleek dat slechts 13% van de ondervraagden zich betrokken voelden bij hun baan. Een schokkende 66% van de respondenten voelt zich niet gemotiveerd door hun werk en de meesten daarvan zeggen dat ze hun werk saai vinden.

    Hoeveel doorzettingsvermogen en vastberadenheid (grit) je dus ook hebt, het lijkt er dus op dat je iets moet doen wat je leuk vindt om gemotiveerd te blijven. Blije mensen hebben werk dat op het snijvlak ligt met hun persoonlijke interesses, aldus een survey van Mark Morris uit 2003.

    Maar wees ook realistisch. Soms heb je gewoon een off-day. Of zitten er dingen tegen. De perfecte baan, de perfecte partner of de perfecte klant bestaat niet, schrijft Duckworth. Ook als je het werk doet waarvan je weet dat het bij je interesses past, zullen er werkzaamheden zijn waar je tegenop ziet. Blijf in die gevallen kijken naar het grote geheel. Wat zijn je doelen? Waar liggen je interesses? Wat wil je bereiken? Draagt dat wat je nu doet daar aan bij, ondanks die mindere dag? Als het antwoord ja is, heb dan het vertrouwen in jezelf dat je op de goede weg bent.

    Geef jezelf de tijd

    Dus, als we gelukkig willen zijn moeten we iets doen wat we leuk vinden. Door doelen te stellen en genoeg tijd in onze talenten in skills te stoppen bereiken we wat we willen bereiken in ons leven. Als we weten waar we voor rennen en we worden daar gelukkige mensen van, alleen dan kunnen we doorzetten, zijn we doortastend en kunnen we beter met tegenslagen omgaan. Dan hebben we grit.

    De slechtste uitkomst van dit alles is dat je heel hard gaat ‘zoeken’ naar je passie, naar dat wat je leuk vindt of wat je talenten zijn. Nieuwsflash: je gaat dat niet op korte termijn zomaar ‘vinden’. Het ligt niet opeens bij je op de deurmat, je loopt er niet zomaar tegenaan. Hoe frustrerend dat misschien ook kan zijn.

    Deurmat Grit Angela Duckworth.
    Een deurmat. Daar ligt dus niet opeens jouw passie op je te wachten.

    De oplossing is om er over na te denken en te accepteren dat je midden in een proces zit. Ga eens terug naar je jeugd en bedenk waar je vroeger goed in was of wat je leuk vond. Denk na over de dingen die je hebt gedaan die zijn gelukt. En waarom je dat zo leuk vond. Denk na over wat je nu doet en wat je daar leuk aan vindt en waarom dat iets is wat je motiveert (of niet).

    Hak zelf een knoop door over je passie, je talenten en je doelen.

    Tot slot: bepaal eenvoudigweg wat je passie is en stel dit van tijd tot tijd bij waar nodig. Zomaar tegen je passie aanlopen gaat namelijk niet gebeuren. Je kunt het dan maar beter gewoon zelf vaststellen.

    Als tiener kon ik eindeloos knoeien met computers. Harde schijven bijplaatsen, RAM geheugen kopen, extra videokaarten monteren en installeren. Later kwam daar internet bij. HTML websites maken, uren en uren rommelen met plaatjes in tabellen zetten, dat werk. Ik vond het leuk om sites te maken voor anderen. Mijn klanten waren geholpen bij een goede site die mooier was dan de concurrent, daar kreeg ik energie van. Mijn talent lag in klantcommunicatie, stukjes schrijven en uitvogelen hoe nieuwe dingen werken.

    In de loop der jaren is dat uitgegroeid tot Van Ons. Uiteraard heb ik mindere dagen: als er bijvoorbeeld issues zijn met medewerkers, een niet betalende klant, projecten waar ik een fout gemaakt heb, of als ik weer eens een liftmonteur de weg moet wijzen naar onze kapotte lift. Toch vind ik internet in combinatie met ondernemen het leukste wat er is. Je kunt me er voor wakker maken, letterlijk. Voor mezelf heb ik alles vertaald naar: mijn passie is het web een beetje beter maken. Voor onze klanten, de klanten van de klant, maar ook voor ons team. En mijn doel is om te blijven groeien met ons bureau.

    Ik heb daar dus een bewuste keuze gemaakt in wat mijn passie is en wat ik leuk vind. Ik heb dit gewoon zo besloten op basis van alle ‘data uit het verleden’. Ik heb niet mijn passie ‘gevonden’, ik heb mijn passie gecreëerd. En misschien is dit volgend jaar weer iets anders geformuleerd. Het idee dat passie iets flexibels is vind ik een heel relaxte gedachte.

    Grit is een geweldig boek en wordt geen moment zweverig. Het is ongelofelijk knap hoe de schrijfster allerlei wetenschappelijk onderzoek in verband legt met zelfontwikkeling. En dan ook nog eens heel praktische tips kan geven waarvan je echt denkt “ja dit ga ik gelijk doen!”. Lezen dat boek, want iedereen verdient een beetje grit!

  • Waarom sorry zeggen tegen je klant niet werkt (en wat je wel moet doen)

    Waarom sorry zeggen tegen je klant niet werkt (en wat je wel moet doen)

    Een opmerkelijk bericht in het Financieele Dagblad van afgelopen zaterdag. Door de Britse spoorwegmaatschappijen zijn dit jaar 267.000 verontschuldigingen aangeboden aan reizigers via Twitter. Het deed me denken aan een artikeltje dat ik laatst las in de Harvard Business Review: sorry zeggen tegen je klant heeft geen enkele zin en kan zelfs tegen je werken. Of, iets genuanceerder, met alleen ‘sorry’ kom je niet weg, je zult iets meer moeten doen.

    Zeg niet te vaak en te lang sorry

    Als je iets verkeerd doet in de relatie met je klant, dan is de eerste les in customer service dat je sorry zegt. In veel gevallen blijft het niet bij een enkele verontschuldiging. In veel van dit soort gesprekken zijn medewerkers geneigd om excuses te blijven maken. Zo tonen ze warmte, empathie en laten ze zien dat ze om de klant geven. Een goede gedachte natuurlijk. Nieuw onderzoek wijst echter uit dat dit een tegenovergesteld effect geeft. Als de gemaakte excuses voortduren na de zevende seconde van het gesprek, neemt de klanttevredenheid juist af.

    Wat wel werkt is dat medewerkers laten zien dat ze met veel energie en creativiteit nadenken over een oplossing. Niet warmte en empathie leiden tot tevredenheid, maar meedenken met de klant over een oplossing.

    Airport reality TV: een paradijs voor de marketeer

    Waarom gewone mensen naar airport reality TV kijken heb ik nooit zo goed begrepen. Maar waarom marketeers kijken des te meer. Het kijkje in de keuken bij airlines en op vliegvelden geeft sprankelende voorbeelden van hoe je wel met klanten om moet gaan of hoe je juist niet met klanten om moet gaan. Dat dacht ook een groep onderzoekers van de Case Western Reserve University onder aanvoering van Jagdip Singh. Met airport reality TV krijgen de onderzoekers de ene na de andere mooie casus over klantcommunicatie in de schoot geworpen. Ideaal voor een grondige analyse!

    De twee belangrijkste conclusies uit het onderzoek

    Na het bestuderen van 111 video’s die moeilijke gesprekken laten zien tussen klanten en medewerkers, komen de onderzoekers tot twee belangrijke conclusies.

    De eerste is dat medewerkers die in moeilijke gesprekken veel empathie toonden en opgewekt communiceerden laag scoorden op klanttevredenheid. Dit effect was vooral zichtbaar wanneer het tonen van empathie voortduurde in het gesprek.

    De tweede belangrijke conclusie is dat klanten niet zozeer tevreden werden van de oplossing zelf (bijvoorbeeld een verloren tas die weer snel gevonden was) maar van de manier waarop de medewerker assistentie had geboden in het zoeken naar een oplossing.

    Let op: het gaat dus niet om de oplossing zelf, maar om het proces waarbij de oplossing tot stand komt.

    Warmte versus competentie

    De uitkomsten van dit onderzoek lijken wat tegenstrijdig. Aardig doen tegen je klant zou toch niet zo slecht moeten kunnen uitpakken? De onderzoekers wijzen voor een verklaring van deze conclusies in de richting van leiderschapsstudies die een trade off blootleggen tussen percepties van warmte en percepties van competentie. Ze stellen dat hetzelfde fenomeen zich voordoet bij het herstellen van een verkeerd gelopen dienstverlening: als medewerkers een hoge mate van warmte tonen zien klanten hen als minder competent.

    Wat je wel moet doen: sensing, seeking en settling

    Als jouw medewerker in een moeilijke situatie zit met een klant, zijn er drie fases die hij/zij moet doorlopen om maximale tevredenheid te realiseren bij een klant. De drie fases zijn:

    1. Sensing: de medewerker stelt vragen aan de klant om het probleem duidelijk te krijgen
    2. Seeking: de medewerker brainstormt en bedenkt mogelijke oplossingen voor het probleem
    3. Settling: de medewerker kiest samen met de klant de oplossing die de beste uitkomst geeft

    Hoewel medewerkers uit de reality TV series hun excuses bleven maken tijdens het doorlopen van deze drie fases, leek dat de tevredenheid van de klanten niet ten goede te komen. “Ik vind dit zo vervelend voor u, hetzelfde overkwam mijn moeder laatst” is goed bedoeld, maar wordt door de klant vooral als afleiding ervaren.

    Biedt in het begin je excuses aan en doe dat oprecht, maar ga daarna door met het doorlopen van de drie stappen hierboven. Laat vooral zien wat je waard bent in de brainstormfase (seeking). Hoe beter je de klant jouw vindingrijkheid en creativiteit laat zien in het vinden van een oplossing, hoe tevredener die klant uiteindelijk wordt, ongeacht de kwaliteit van de oplossing zelf.

    Bedenk een waaier aan oplossingen

    Bovenstaande uitkomsten zijn door de onderzoekers in een labsetting nog eens getest. Respondenten kregen een fragment te horen uit een gesprek tussen een klant en servicemedewerker van een airline. De klant was zijn koffer kwijtgeraakt of had zijn vlucht gemist. Voor beide situaties was de geboden oplossing betrekkelijk negatief: de klant die zijn koffer was kwijtgeraakt kreeg die wel terug, maar niet meer dezelfde dag en voor de klant die zijn vlucht had gemist was er wel een andere vlucht, maar niet op korte termijn.

    De ene groep van de respondenten hoorde een reactie van de servicemedewerker die vooral warm, meelevend en empatisch was. Bij de andere groep ging de servicemedewerker actief zoeken naar beschikbare oplossingen. Respondenten moesten vervolgens een waardering geven voor klanttevredenheid alsof zij de klant waren in het gesprek met de servicemedewerker.

    Zoals de onderzoekers al vermoedden, was de tevredenheid over de vervelende situatie het hoogst wanneer de servicemedewerker oplossingen bood in plaats van warmte en empathie uitstraalde. Hoe meer verschillende oplossingen de servicemedewerker bood, des te hoger de tevredenheid.

    Een zo breed mogelijk palet aan oplossingen bedenken zorgt dus voor hogere tevredenheid.

    Kan ik de ideale conversatie scripten?

    Nee, helaas. Er zijn geen magische woorden of standaardzinnen die je helpen om een klant tevreden te maken in een lastige situatie. Daarvoor zijn de mogelijke situaties bij dienstverleners te specifiek en uniek. Hier zit ook de crux van goede dienstverlening als het mis gaat: een goede oplossing die de klant tevreden maakt vereist improvisatie en dat is precies wat zo moeilijk is.

    Het belangrijkste is dat je je tijdens een moeilijke situatie houdt aan de drie fases van het gesprek. Stel vragen aan de klant om zijn probleem helder te krijgen (sensing), brainstorm met energie over oplossingen (seeking) en kies de juiste oplossing (settling). Dat biedt enige houvast en structuur in lastige gesprekken.

    En uiteraard, vergeet geen sorry te zeggen aan het begin. Doe dat oprecht… maar niet te vaak!

    Bron: Harvard Business Review januari/februari 2018, “Sorry is not enough”, pagina 20. Verschijnt in Journal of Marketing Research onder de titel: “Frontline Problem-Solving Effectiveness: A Dynamic Analysis of Verbal and Nonverbal Cues”.

  • Een value proposition die scoort: meet het met SERVQUAL, gepercipieerde waarde, tevredenheid en loyaliteit

    Een value proposition die scoort: meet het met SERVQUAL, gepercipieerde waarde, tevredenheid en loyaliteit

    Je hebt alle fases van het bedenken van jouw value proposition doorlopen. Je hebt kritisch naar jouw value proposition canvas gekeken en om jouw kansen op succes te vergroten heb je alles goed getest. Je nieuwe product of dienst is op de markt en de eerste echte klanten kopen datgene waar jij weken, maanden of misschien zelfs jaren aan hebt gewerkt.

    Hoewel er al zoveel werk is verzet, ben je eigenlijk pas net begonnen. Want een succesvolle value proposition is er eentje die blijvend waarde biedt voor haar afnemers. Door blijvend waarde te bieden, blijven ook de afnemers komen. En alleen met een continue stroom aan afnemers blijft jouw onderneming financieel gezond en toekomstbestendig.

    Hoe weet je of jij die waarde biedt? Hoe zorg je ervoor dat je niet afdwaalt en de klik met de klant verliest? Hoe hou je jezelf scherp en hoe kijk je kritisch naar dat wat je aan het doen bent? En vooral: is dat wat je doet nog goed genoeg voor de klant?

    ruud frambach doet marketing ertoe

    Ruud Frambach, hoogleraar marketing aan de Vrije Universiteit in Amsterdam schreef in zijn onlangs verschenen boek Doet Marketing Ertoe? hoe je waarde voor de afnemer in kaart brengt met behulp van onderstaande vier metrics.

    ***Gratis Tip*** heb je het boek van Ruud Frambach nog niet in huis? Daar is gelukkig wat aan te doen. Bestel ‘m op managementboek en je verzekert je van een handzaam en praktisch boek die alle kanten van jouw marketingstrategie meetbaar en inzichtelijk maakt. Een absolute must-read voor de marketeer van nu die serieus met zijn vak bezig is.

    #1 – Kwaliteit meten met behulp van SERVQUAL

    Hoe beter de kwaliteit van jouw product of dienst, hoe hoger de waarde die de klant ervaart. Elke klant heeft een bepaalde verwachting van kwaliteit en vormt een bepaalde perceptie van die kwaliteit zodra hij in contact komt met jouw product. Een goed model om de verwachte en gepercipieerde kwaliteit (van diensten) in kaart te brengen is het SERVQUAL model.

    Je legt jouw klanten 25 vragen voor (bijvoorbeeld deze of deze) die samen vijf dimensies van jouw dienst in kaart brengen. De vijf dimensies die je in kaart brengt met deze 25 vragen zijn:

    • Tastbaarheden: hoe goed vinden klanten de tastbare zaken van jouw dienst? Is de look en feel op orde, hoe is de inrichting van jouw winkel, hoe verzorgd ziet de receptie eruit?
    • Responsiviteit: wat vinden klanten van de snelheid waarmee ze geholpen worden? Binnen hoeveel tijd krijgen zij een antwoord op hun vraag? Kunnen ze makkelijk iemand te spreken krijgen?
    • Betrouwbaarheid: hoe accuraat vinden klanten de dienst? Levert deze dienst steeds dezelfde uitkomst voor jouw klant? Hoe eerlijk is de dienst?
    • Zekerheid: vinden de klanten dat de medewerkers voldoende kennis hebben over de dienst? Stellen medewerkers de klant gerust? Zijn de medewerkers hoffelijk en geven zijn de klant vertrouwen?
    • Empathie: houdt de dienst rekening met de persoonlijke omstandigheden van de klant? Is er een persoonlijke benadering of persoonlijke aandacht?

    Per dimensie breng je in kaart wat het minimale niveau is dat de klant verwacht, wat het gewenste niveau is dat de klant verwacht en wat het uiteindelijke gepercipieerde (oftewel ervaren) niveau van de klant is. Uitgangspunt van het SERVQUAL model is dat je dit niet alleen bij klanten in kaart brengt, maar ook bij medewerkers.

    Een verschil in verwachte kwaliteit en gepercipieerde kwaliteit noemen we een “gap”, oftewel een gat of kloof. In het SERVQUAL model zijn meerdere gaps te onderscheiden die uiteindelijk leiden tot de gap tussen verwachte kwaliteit en gepercipieerde kwaliteit.

    SERVQUAL model voor het meten van kwaliteit van diensten
    SERVQUAL model voor het meten van de kwaliteit van diensten.

    De eerste GAP ontstaat wanneer het management van een bedrijf niet goed begrijpt wat de verwachtingen zijn van de klant. Het kan ook zo zijn dat het management de verwachtingen van de klant wel scherp heeft, maar deze niet goed weet te vertalen naar specificaties van de dienst (GAP 2). Ook kan het zijn dat de dienst wel juist gespecificeerd is en goed is uitgedacht maar dat de uiteindelijke dienstverlening er in de praktijk toch anders uitziet (GAP 3). Externe communicatie kan ook niet goed in lijn zijn met de dienst, waardoor de klant iets anders krijgt dan wordt gecommuniceerd (GAP 4). Al deze gaps kunnen de oorzaak zijn voor de belangrijkste gap, namelijk het verschil in wat de klant verwacht en wat deze uiteindelijk percipieert (GAP 5).

    #2 – Gepercipieerde waarde in kaart brengen

    Behalve het meten van de perceptie van kwaliteit via het SERVQUAL model, kun je ook de gepercipieerde waarde meten. De centrale vraag hier is of het product of de dienst nuttig is voor de klant en of hij zijn doelstellingen en jobs hiermee behaalt.

    Sweeney en Soutar (2001) hebben een framework gemaakt waarmee je gepercipieerde waarde kunt meten. Zij onderscheiden daarbij verschillende type waarden, die redelijk overeenkomen met de jobs van het Value Proposition Canvas zoals omschreven in het boek Value Proposition Design. Deze waarden met bijbehorende vragen om ze te meten (1-7 puntschaal) zijn:

    • Emotionele waarde: van dit product zou ik genieten, van dit product zou ik gebruik willen maken, van dit product zou ik me bij het gebruik ervan op mijn gemak voelen, bij dit product zou ik me goed voelen, dit product zou me plezier geven.
    • Sociale waarde: dit product zou me helpen geaccepteerd te voelen, dit product zou de manier waarop ik wordt gezien verbeteren, dit product zou een goede indruk op andere mensen maken, dit product zou de bezitter ervan sociale goedkeuring geven.
    • Functionele waarde (prijs/kosten): dit product is redelijk geprijsd, dit product biedt waar voor zijn geld, dit product is een goed product voor deze prijs, dit product zou economisch zijn.
    • Functionele waarde (prestatie/kwaliteit): dit product heeft consistente kwaliteit, dit product is goed gemaakt, dit product heeft een acceptabele kwaliteitsstandaard, dit product getuigt van slecht vakmanschap (negatief), dit product zou niet lang meegaan (negatief), dit product zou consistent presteren.

    Door jouw klant deze vragen voor te leggen kom je erachter of jouw waardepropositie en jouw product ook echt waarde toevoegt. Stel deze vragen om de zoveel tijd aan jouw klanten om progressie te meten bij veranderingen die je doorvoert.

    #3 – Tevredenheid

    Misschien wel de meest voor de hand liggende van het rijtje: als jouw klant tevreden is dan heb je iets goed gedaan en heb je voor hem waarde toegevoegd. Toch is het belangrijk om tevredenheid los te noemen van de perceptie van kwaliteit en de perceptie van waarde. Tevredenheid is iets wat ontstaat nadat de klant jouw dienst of product volledig heeft geconsumeerd. Het is dan ook niet zozeer meer een perceptie, maar de tevredenheid over de werkelijkheid geworden beleving van wat jij hebt aangeboden.

    Het meten van klanttevredenheid is niet heel ingewikkeld. Je kunt een globale vraag stellen als “Alles bij elkaar genomen, hoe tevreden bent u met…?” waarbij een 1 staat voor “zeer ontevreden” en een 5 voor “zeer tevreden”. Je kunt ook per attribuut van jouw product of dienst de tevredenheid meten. Je zet dan alle attributen onder elkaar en vraagt de klant op een schaal van 1 tot 5 om per attribuut aan te geven hoe tevreden hij daarover is. Je kunt ook op een 5-puntsschaal kijken naar de gedragsintentie door te vragen: “Hoe waarschijnlijk is het dat u dit product binnen een jaar weer koopt?”. Tot slot kun je ook de tevredenheid in een bepaalde context meten, bijvoorbeeld: “Hoe tevreden bent u over onze dienst vergeleken met de keer daarvoor?”.

    De klant heeft van tevoren een bepaalde verwachting van jouw product en vergelijkt deze verwachting met de ervaring van jouw product die tot stand is gekomen door de consumptie ervan. Als de prestatie beter is dan de verwachting dan wordt de klanttevredenheid hoger en is de prestatie slechter dan wordt de klanttevredenheid lager. Vandaar de uitdrukking: underpromise, overdeliver!

    De mate van tevredenheid is afhankelijk van meer factoren dan alleen consumptie. Marketingcommunicatie, referenties van anderen, maar ook de rol van jouw bedrijf in de maatschappij zijn van invloed op de uiteindelijke tevredenheid. Zelfs de situatie of plek waar de  consumptie plaatsvindt kunnen de uiteindelijke tevredenheid bepalen. Dat ene ijsje smaakt op vakantie gek genoeg altijd beter…

    #4 – De heilige graal: loyaliteit

    Toch een beetje het heilige der heilige voor de marketeer: een klant die terugkomt. Hoe meer waarde jij levert hoe vaker, eerder of sneller een klant bij je terug zal komen. Hier is ook een hele duidelijke relatie met tevredenheid. Tevreden klanten worden namelijk loyale klanten.

    Loyaliteit kun je in twee stukken hakken. Het ene stuk is attitudeloyaliteit, oftewel de houding van een klant ten opzichte jouw merk, en het andere gedragsloyaliteit, oftewel doet iemand ook echt herhalingsaankopen bij jou.

    Je meet attitudeloyaliteit en gedragsloyaliteit aan de hand van een aantal redelijk eenvoudige vragen (Chiou en Droge, 2006).

    Attitudeloyaliteit (1= zeer oneens, 5 = zeer mee eens)

    • Als ik het over moest doen, zou ik weer voor dit product kiezen
    • Ik probeer dit product te gebruiken omdat het voor mij de beste keuze is
    • Ik beschouw mijzelf als loyale koper van dit product
    • Voor mij is dit product gelijk aan andere merken van dit product (negatief)

    Gedragsloyaliteit (voor bijvoorbeeld koffie van Douwe Egberts)

    • Als u op dit moment €25 te besteden had aan koffie, hoeveel zou u dan uitgeven aan het merk Douwe Egberts? (je kijkt hoeveel de klant van die €25 aan jou zou willen uitgeven)
    • Hoe vaak heeft u in de afgelopen 12 maanden koffie gekocht van het merk Douwe Egberts? (je kijkt naar het aantal aankopen van jouw merk naar verhouding tot het totaal aantal aankopen van de klant in deze productcategorie)
    • Hoeveel geld heeft u in de afgelopen 12 maanden aan Douwe Egberts uitgegeven in de productcategorie koffie? (je kijkt naar het bedrag in € aan jouw merk uitgegeven ten opzichte van het totaal uitgegeven bedrag).

    Aan de slag met jouw value proposition!

    In deze serie van vijf artikelen heb ik je meegenomen in de reis van het formuleren van een waardepropositie, het aanscherpen en testen daarvan en het uiteindelijk meten van de klantwaarde die je toevoegt. Een constante focus op het toevoegen en creëren van waarde is wat ervoor zorgt dat klanten tevreden zijn en bij jou terugkomen en jij daardoor de concurrentie een stap voorblijft. Klanten die terugkomen brengen geld in het laatje en daarmee verzeker jij jezelf van een stevige fundering voor de toekomst.

    Het is een lange reis waarbij je constant schaaft, schuurt en slijpt aan jouw value proposition en waarbij je met meerdere stakeholders in gesprek moet over het nut en potentie ervan. Falen hoort hierbij en is onlosmakelijk verbonden aan het bereiken van successen. Ik hoop dat deze serie jou en jouw bedrijf of merk helpt met creëren van waarde. Dat jouw klanten maar vaak terug mogen komen!

  • Hoeveel potentie heeft jouw waardepropositie? Ontdek het met deze 8 tests

    Hoeveel potentie heeft jouw waardepropositie? Ontdek het met deze 8 tests

    Je waardepropositie canvas is klaar, het ontwerp voor een nieuw product is af en je bent helemaal supercharged om er de markt mee op te gaan. Je kunt all in gaan en je product van A tot Z ontwikkelen, je marketingstrategie opstarten en proberen je waardepropositie te verkopen. Maar wat als er geen klanten blijken te zijn en de interesse voor jouw product tegenvalt? Dan zit je met een behoorlijke financiële tegenvaller.

    Ideeën worden niet vanzelf beter als ze in een value proposition canvas staan en de mate van onzekerheid is het grootst aan het begin van jouw route naar een nieuw product. Om die onzekerheid weg te nemen en jouw risico’s zoveel mogelijk af te dekken loont het om te experimenteren. Je wilt valideren dat jouw oplossing écht een oplossing is en dat jouw doelgroep ook echt bestaat.

    Formuleer hypotheses die je wilt testen

    Jouw customer profile en value map zijn ingevuld op basis van allerlei aannames. Je hebt customer pains, gains en tasks bedacht en in het customer profile geplaatst. Voor je value map heb je producten en diensten op een rij gezet waarvan jij denkt dat ze een probleem oplossen. Of een pain reliever of gain creator waarvan jij denkt dat ze ertoe doen voor de klant.

    De eerste stap in het testen van jouw waardepropositie is om hypotheses te formuleren van die aannames. Als je een hypothese hebt, heb je namelijk een vraag die je kunt gaan toetsen. Stel, je hebt een app bedacht waarmee gebruikers via hun telefoon kunnen betalen voor een parkeerplaats in het centrum van de grote steden. Een aanname die je dan misschien doet is dat gebruikers moeite hebben met het vinden van betaalautomaten en dat een app daarom uitkomst zou bieden. De hypothese die je dan opstelt is: mensen hebben moeite met het vinden van betaalautomaten voor het betalen van hun parkeerplek. Met verschillende tests ga je deze hypothese valideren.

    Loop al je canvassen zorgvuldig af en stel bij ieder element jezelf de vraag: welke fundamentele aanname ligt hieraan ten grondslag? Dat is de aanname waarvan je zeker moet weten of die klopt. Van die aanname maak je een hypothese om te toetsen.

    Stel jezelf steeds de vraag: wat moet er waar zijn om mijn idee te laten werken?

    Van hypothese naar experiment

    Als je al je hypotheses hebt opgesteld, kies je de belangrijkste uit en bedenk je per hypothese een relevante test of experiment. Je kunt hypotheses toetsen door te luisteren naar wat klanten zeggen en door te kijken naar wat klanten doen (gedrag). Luisteren en kijken naar klanten hebben allerlei voor- en nadelen. Hieronder staan een aantal tests voor je op een rij die je kunt gebruiken.

    Begin met een prototype of MVP

    Welke test je ook gaat uitvoeren, een prototype of Minimum Viable Product (MVP) van jouw product of dienst is een must. Een prototype hoeft niet per se een werkend iets te zijn. Het kan een powerpoint zijn, een invision document, een moodboard, een video of een kartonnen knutselwerk. Het gaat erom dat klanten alvast iets kunnen zien van wat je aanbiedt.

    Mijn persoonlijke filosofie hier is: maak je niet druk om details die niet kloppen. Als jouw idee echt briljant en baanbrekend is, kijken klanten door schoonheidsfoutjes heen.

    Test 1: Google Adwords

    Met Google Adwords kun je heel snel achterhalen welke jobs en pains jouw doelgroep heeft en of er interesse is in jouw waardepropositie. Stel een campagne op rondom de hypotheses die je hebt bedacht en maak er geschikte advertenties omheen. Door te kijken naar zoekvolume en klikgedrag op advertenties krijg je een indruk van de potentiële behoefte aan jouw waardepropositie.

    Een voorbeeld: je wilt een ijsje op de markt brengen waar extra vitamine C aan is toegevoegd en dat geen dierlijke ingrediënten bevat. Jouw aanname is dat klanten geen gezonde ijsjes kunnen kopen (customer pain) terwijl ze daar wel behoefte aan hebben. Je denkt ook dat er veel vegans zullen zijn die behoefte hebben aan een ijsje dat zij ook kunnen eten. Je kunt beginnen met kijken in Google Trends om te zien hoeveel zoekvolume er is op relevante trefwoorden (bijvoorbeeld “vegan ijs”).

    vegan ijsjes google trends
    De trend is duidelijk: er wordt door de jaren heen steeds meer gezocht op de term “vegan ijsjes”. Dit duidt op interesse in deze waardepropositie!

    Vervolgens ga je advertenties plaatsen om te kijken waar klanten op aanslaan. Op basis van waar gebruikers op klikken kom je erachter of er bijvoorbeeld meer behoefte is aan een “gezond” ijsje of een “vegan ijsje’. Dit is waardevolle informatie om je waardepropositie maar later ook je branding mee te finetunen.

    Test 2: unique link tracking

    Een combinatie van offline en online testen is “unique link tracking”. Wanneer je in gesprek bent met klanten kun je ze een brief of kaart meegeven met daarin een link naar jouw website of speciale landingspagina. Wanneer klanten later de website of pagina ook daadwerkelijk bezoeken weet je dat er interesse is.

    Let op: veel bezoekers op je site of pagina zegt nog niet zoveel (Tim Ferris zou dit een vanity metric noemen). Maak op je website of landingspagina een hele duidelijke Call To Action, waar bezoekers het product kunnen kopen of bestellen. Alleen dan weet je of klanten écht interesse hebben.

    Test 3: focusgroepen met storyboards en scenario’s

    Werk je waardepropositie uit tot mooie storyboards en illustraties van scenario’s die een real life experience uitbeelden. Verzamel een groep potentiële klanten en gebruikers en ga met ze in gesprek over jouw waardepropositie. Vragen die je tijdens deze sessies kunt stellen zijn:

    • Wat mis je in dit storyboard?
    • Wat moet er weggelaten worden?
    • Wat moet er toegevoegd worden?
    • Wat moet er verminderd worden?
    • Waar moet er meer van komen?

    Vraag altijd waarom gebruikers iets vinden om zoveel mogelijk echte inzichten te verzamelen waarmee je jouw waardepropositie kunt verbeteren.

    Test 4: levensgrote experimenten

    Je kunt het ook wat groter aanpakken en jouw vernieuwde waardepropositie in het groot gaan testen. Het GVB (Gemeentevervoerbedrijf in Amsterdam) test nieuwe ideeën in een aantal trams om te kijken of deze aanslaan en vervolgens doorgevoerd kunnen worden in alle trams. Zo werden in tram 2 de glazen conducteurhokjes verbouwd tot zogenaamde “servicebalies” om te testen of hierdoor de informatievoorziening en klanttevredenheid zou verbeteren. In dezelfde tram was het ook een tijdje mogelijk om overal in- en uit te stappen in plaats van enkel instappen bij een conducteur. Zo test het GVB of de opstoppingen bij de ingang (customer pain!) kunnen worden verholpen. De introductie van de servicebalie was zo’n groot succes dat het GVB deze servicebalies nu in iedere tram beschikbaar gaat maken.

    Belangrijk bij deze experimenten is om vooraf alle metrics en het meetplan op te stellen waaraan je het succes van jouw idee en waardepropositie kunt afmeten.

    Test 5: A/B tests of split tests

    In het voorjaar publiceerde ik al een whitepaper over A/B testen. Als je alles over het implementeren van A/B tests wilt weten dan adviseer ik je het whitepaper te downloaden. Met A/B testen (ookwel split testen genaamd) vergelijk je twee varianten van je product en kijk je welke beter scoort bij jouw klant. Je kunt bijvoorbeeld twee varianten van de verpakking van jouw product aan klanten laten zien en vragen of ze het willen kopen en hoeveel ze bereid zijn te betalen voor het product. Vervolgens vergelijk je of er verschil zit in de willingness to buy/pay tussen de twee varianten die je jouw klanten hebt laten zien.

    Je kunt A/B tests uitvoeren op heel veel eigenschappen van jouw waardepropositie. Denk aan alternatieve features of pricing, maar ook variaties in distributie of klantcontact.

    Test 6: customer pains verkennen in de Speed Boat Test

    Met de speedboat test werk je met een focusgroep en verken je de customer pains. Je maakt de analogie met een speedboat die wordt tegengehouden door allerlei ankers. De ankers zijn de customer pains die de klant weerhouden van het bereiken van een doel of oplossing. Vraag aan je focusgroep hoeveel en wat voor soort ankers zij aan de speedboat ervaren en laat ze die op een post-it noteren. Vraag aan de focusgroep om de ankers ook op een bepaalde diepte te hangen: hoe dieper het anker in zee ligt, hoe extremer de pijn is. Als je in deze test ook de customer gains wilt verkennen, gebruik dan een boot met zeilen, waarbij de zeilen de customer gains voorstellen. Hoe groter de zeilen, hoe belangrijker de customer gain.

    Test 7: koop een feature (buy a feature game)

    In deze test geef je gebruikers een fictief budget en een lijst van alle features die in jouw nieuwe product of dienst zitten. Je geeft per feature aan voor hoeveel euro’s je die aanbiedt. Je laat de gebruiker per feature invullen hoeveel geld van hun budget ze aan die feature willen besteden. Zo ontdek je de willingness to pay per feature en kun je kijken of er features zijn waar totaal geen interesse in is, of die wellicht te laag geprijsd zijn.

    Je kunt deze test een stap complexer maken door de gebruikers in een groep te laten werken. De gebruikers kopen een feature als een groep maar elke gebruiker mag zelf bepalen hoe hij zijn individuele budget besteedt. Als het totaalbedrag per feature van de individuele spelers gelijk of hoger is aan de prijs die jij er voor vraagt, dan is de feature “gekocht”. Is de prijs lager, dan is die feature “niet gekocht” door de groep.

    Zorg ervoor dat het persoonlijke budget de gebruiker dwingt om samen te werken met andere gebruikers om een feature te kopen (een gebruiker heeft altijd anderen nodig om een feature te kunnen betalen) én zorg ervoor dat het totale budget van alle gebruikers bij elkaar niet genoeg is om alle features te kunnen kopen. Zo dwing je de deelnemers om harde keuzes te maken in de features die ze wel of niet kunnen aanschaffen.

    Test 8: ga alvast in de voorverkoop of werk met crowdfunding

    Als jouw waardepropositie helemaal is uitontwikkeld en je bent heel erg zeker van je zaak, dan kun je alvast starten met de voorverkoop van jouw nieuwe product of dienst. Je activeert al je marketingkanalen en begint alvast met verkopen, met een duidelijke mededeling wanneer jouw product daadwerkelijk beschikbaar komt.

    Jouw waardepropositie bestaat in dit scenario feitelijk nog niet, maar is nog in de maak. Het voordeel van voorverkoop is dat je alvast kun kijken hoe groot de interesse daadwerkelijk is en daar de productie alvast op afstemmen. Als er heel veel vraag is naar jouw product, dan kun je de productie alvast opschroeven. Als er heel weinig vraag blijkt te zijn kun je alles afblazen.

    Crowdfunding kan hier ook een rol van betekenis spelen. De hoeveelheid geld die je ophaalt weerspiegelt de interesse die er is in jouw waardepropositie. Haal je veel op, dan weet je dat je op het juiste spoor zit. Haal je niets op, dan weet je dat je dat je nog een lange weg te gaan hebt.

    Maken, meten, verbeteren

    Welke tests je uiteindelijk gaat gebruiken en hoe je ook te werk gaat, werk altijd volgens het principe van Maken, Meten en Verbeteren. Deze manier van werken, die zijn oorsprong vindt in The Lean Startup van Eric Ries, is onontbeerlijk in een cultuur van experimenteren en leren.

    Build Measure Learn, Eric Ries, The Lean Startup, overgenomen van https://www.mindtools.com/pages/article/build-measure-learn.htm
    Build, Measure, Learn, Eric Ries, The Lean Startup, overgenomen van https://www.mindtools.com/pages/article/build-measure-learn.htm

    Je begint met bouwen, in dit geval het bouwen van jouw waardepropositie met bijbehorend product of dienst. Vervolgens ga je meten of deze waardepropositie levensvatbaar is door middel van allerlei tests en experimenten. Met alle data die je verzamelt maak je keuzes. Waar heb ik verkeerde aannames gedaan? Welke aannames zijn wél goed? Op basis daarvan ga je jouw waardepropositie aanpassen, verbeteren en opnieuw meten. Net zolang totdat je er zeker van bent dat jouw waardepropositie klopt als een bus. Ben je helemaal zeker van je zaak? Dan kun je definitief de markt op met jouw waardepropositie.

  • 10 kritische vragen over jouw value proposition canvas

    10 kritische vragen over jouw value proposition canvas

    Je hebt je value proposition canvas ontworpen en je bent klaar om deze verder uit te rollen. Voordat je verder gaat met de implementatie ervan, is het verstandig nog een laatste keer heel kritisch te kijken naar dat wat je op papier hebt gezet. Is de value proposition die je hebt bedacht écht bijzonder? Is deze waardepropositie écht baanbrekend? Hieronder 10 vragen die je kunnen helpen bij het op waarde schatten van jouw value proposition canvas.

    1. Is deze value proposition onderdeel van een goed business model?

    Het value proposition canvas is onderdeel van het business model. In het business model bepaal je met welke partners je samenwerkt, welke activiteiten je ontplooit, welke interfaces met de klant je hebt en – last but not least – wat je kosten en opbrengsten zijn. Een succesvolle waardepropositie kan niet zonder een goed doordacht business model die werkt voor alle stakeholders. Als je een sterke waardepropositie hebt bedacht, maar de partners of toeleveranciers met wie je samenwerkt zijn onbetrouwbaar, dan kun je ook je waardepropositie niet optimaal leveren.

    2. Focust jouw value proposition op de belangrijkste jobs, pains en gains?

    Heb jij van alle pijn die de klant ervaart de meest kritische uitgekozen om op te lossen? Speelt jouw value proposition in op de belangrijkste gains die een klant zoekt? Bied je een oplossing die de belangrijkste taken van de klant kan vervullen? Mogelijke manieren om hier achter te komen zijn desk research (datasets), interviews met potentiële klanten, observatiestudies, co-creatie sessies of experimenten. En daarbij: durf heel kritisch een eerlijk naar jouw waardepropositie te kijken.

    3. Kijk je ook naar niet aangesproken jobs, onopgeloste pijnen of niet gerealiseerde gains?

    Deze lijkt een beetje op de vorige, met als nuance dat je niet alleen moet kijken naar de belangrijkste jobs, pains en gains, maar ook naar de niet aangesproken jobs, pains en gains. Daar waar jouw value proposition inspeelt op een pijn die nog door geen enkele andere value proposition wordt aangesproken, weet je dat jouw waardepropositie iets toevoegt voor de klant. Uber loste heel duidelijk een probleem op wat nog niet eerder werd aangesproken: het eenvoudig bestellen van een taxi. Met de app is direct je locatie duidelijk en met drie klikken rijd er een taxi naar je toe.

    4. Less is more: is jouw value proposition beperkt tot enkele jobs, pains en gains?

    Een goede value proposition heeft een hele duidelijke en scherpe focus. Een waardepropositie die alles probeert op te lossen is zwakker dan een waardepropositie die heel duidelijk één specifieke taak adresseert, één specifieke pijn oplost en één specifieke gain vervult. Hoe meer je probeert aan te spreken in je value proposition, hoe moeilijker het wordt die uit te voeren, hoe minder de kwaliteit ervan, hoe minder tevreden de klant uiteindelijk is. Less is more is hier het absolute credo.

    5. Richt jouw value proposition zich tegelijkertijd op functionele, emotionele en sociale jobs?

    De allerbeste value propositions vervullen de functionele, emotionele en sociale jobs tegelijkertijd. Denk aan Coolblue die heel duidelijk op emotionele jobs inspeelt van klanten door ze bijvoorbeeld wachttherapie aan te bieden (emotionele job). Of CoffeeCompany die van elke zaak ook een ontmoetingsplek voor klanten maakt (sociale job). Of de lokale scooterzaak die bij een grote beurt je scooter gelijk even oppoetst. Scheelt jou weer een uurtje schrobben (functionele job), je voelt je er goed bij (sociale job) en je maakt weer de blits bij vrienden en collega’s op je glimmende tweewieler (sociale job).

    6. Komt jouw value proposition overeen met hoe klanten succes ervaren?

    De value proposition die je levert is alleen een succes als jouw klanten ook denken dat het een succes is. Wanneer je lid bent van de ANWB, maar je doet er een dag over om met je gestrande auto in het buitenland eindelijk bij een aangesloten garage te komen (is mij overkomen), dan is een  abonnement op de ANWB met dure Europa dekking duidelijk geen succes. Dan had je je beter naar de eerste beste garage kunnen laten afslepen. Dat kost je misschien een paar tientjes extra, maar scheelt een enorme hoeveelheid stress, tijd en algeheel ellendig gevoel.

    7. Willen klanten voor jouw value proposition betalen?

    Over geld gesproken, een goede value proposition is er een waar je een grote groep klanten mee helpt, of een kleinere groep maar die er wel veel geld voor over heeft. In lijn met het eerste punt, is een goede waardepropositie ingebed in een succesvol business model. Daar hoort ook bij dat er onder de streep iets over blijft. Als er niets overblijft, is het geen goede value proposition.

    8. Is jouw value proposition anders dan die van concurrenten?

    Hoe meer je je kunt onderscheiden, hoe beter. Als je een value proposition bedenkt die zich focust op andere jobs, pains en gains dan waar concurrenten zich op focussen, dan weet je dat je iets te pakken hebt. Ryan Air zag in dat klanten op korte vluchten niet altijd behoefte hadden aan eten maar dat bij concurrenten wel altijd kregen én voor moesten betalen. Door dit een vrije keus te maken en tegelijkertijd de basiskosten voor een ticket te verlagen vergrootte Ryan Air de waarde voor klanten.

    9. Ben je de allerbeste op in ieder geval één dimensie?

    Een succesvolle value proposition is beter dan de concurrenten op in ieder geval één dimensie (functionele, sociale, emotionele job). Zara maakt goed beschouwd niet per se betere of mooiere kleding dan concurrenten, maar het feit dat ze sneller nieuwe collecties in de winkels kunnen krijgen maakt dat ze ongelofelijk veel waarde voor klanten leveren.

    10. Kun je jouw value proposition moeilijk kopiëren

    De moeilijkste van het rijtje wat mij betreft en natuurlijk een uit het boekje. Een goede value proposition is moeilijk te kopiëren. Hoe lastiger het is om een value proposition over te nemen, hoe kleiner de dreiging van concurrenten of nieuwe toetreders zal zijn. We kunnen hiervoor weer naar Uber kijken. Er is feitelijk nog niet een écht overtuigende concurrent opgestaan die met hetzelfde gemak een taxi voor je kan regelen. Als niemand in staat is vraag en aanbod zo eenvoudig en easy-to-use bij elkaar te brengen, blijft Uber de grootste speler in deze markt.

    Deze tien vragen komen uit het boek Value Proposition Design, geschreven door Alexander Osterwalder. Een must-read voor iedere marketeer.

  • Fit in je waardepropositie canvas

    Fit in je waardepropositie canvas

    In de vorige post zag je hoe het waardepropositie canvas (value proposition canvas) eruit ziet en uit welke elementen deze bestaat. Als je alle jobs van de klant hebt uitgeschreven, de customer pains en gains hebt uitgedokterd en de pain relievers en gain creators heb genoteerd kun je beginnen aan de volgende stap. Het creëren van “fit”.

    Wat is “fit” in mijn waardepropositie?

    De kern van het ontwerpen van je value proposition canvas is dat de waarde die je biedt voor de klant en het klantprofiel dat je uitwerkt zodanig op elkaar aansluiten dat je daar een succesvol business model van maakt. De gain creators en de pain relievers die jouw producten of diensten bieden moeten ook echt een pain en een gain van een klant oplossen. Als dat niet het geval is, is er geen fit. En geen fit betekent geen interesse in het product of de dienst.

    Hoe breng je fit in kaart?

    De fit in je waardepropositie check je door je value map en je customer profile naast elkaar te leggen en vervolgens lijntjes te trekken tussen die twee. Je probeert de gain creators te verbinden aan customer pains, je verbindt pain relievers aan customer pains en je checkt of jouw producten en diensten de jobs van de klant aanpakken.

    In de praktijk worden de value map en customer profile vaak groot uitgeprint in ingevuld met post-its. Wanneer een post-it uit de value map en customer profile matchen zet je een vinkje op die post-it (en noteer ergens welke twee verbonden zijn).

    Hieronder een aantal zaken waar je op moet letten bij het verbinden van de value map aan de customer profile:

    • Noteer in de value map alleen producten en diensten die nut hebben voor het customer profile (klantsegment) waar je op dat moment mee werkt. De meeste bedrijven werken met meerdere klantsegmenten en ieder segment heeft zijn eigen customer profile. Zet dus alleen de relevante producten in de value map.
    • Check of er geen producten of diensten bij de pain relievers en gain creators staan.
    • Je hoeft niet alle customer gains en pains te adresseren. Je mag aan het eind dus gains en pains overhouden die niet gelinkt zijn aan de value map. Een goede waardepropositie is er een die focus heeft en waar scherpe keuzes gemaakt zijn.
    • Vermijd pain relievers en gain creators die geen gains creëren of pains oplossen. We zijn niet op zoek naar een probleem voor een oplossing.

    Als het goed is heb je dan – met deze vier notities in het achterhoofd – een value map waarop alle post-its een vinkje hebben en waar de customer profile duidelijk laat zien welke pains en gains aangesproken worden en welke niet. De beste fit in je waardepropositie canvas bereik je als je de grootste uitdagingen van je klant weet op te lossen. Kijk dus kritisch naar de fit die je hebt gemaakt, want daar waar je extreme pijn oplost zit je goed.

    Wanneer is er een goede fit?

    Het uitwerken van de value map, de customer profile en het verbinden van die twee kost tijd. En als je klaar bent wil je natuurlijk weten of je een “goede” fit hebt. Maar hoe weet je wanneer je een goede fit hebt in je canvas? Hieronder de drie belangrijkste soorten fit om naar te kijken.

    1. Fit op papier – je hebt alle post-its uit je value map weten te matchen aan post-its uit de customer profile (zoals gezegd: niet alle post-its uit de customer profile hoeven verbonden te zijn). Loop alles nu nog eens kritisch door. Laat collega’s van andere afdelingen naar je uitkomsten kijken (vergeet je eerstelijns supportmedewerkers niet!). Parkeer je fit twee weken en kijk er dan nog eens naar om te zien of je het er nog steeds mee eens bent.
    2. Fit in de markt – je hebt je product of dienst in de markt gezet en je ziet dat je momentum opbouwt. De eerste klanten kopen jouw product, je creëert dus waarde voor deze klanten. Gefeliciteerd! Je probeert te achterhalen welke gains deze aanspreken en welke pains deze oplossen om te zien of jouw theorieën kloppen.
    3. Fit op je bankrekening – dat klanten jouw product kopen en dat je waarde creëert, wil nog niet zeggen dat je dan een business model hebt dat klinkt als een klok. In een business model is het net zo belangrijk om te kijken naar kosten en opbrengsten. Als je opbrengsten hoger zijn dan je kosten dan zie je dat terug op je bankrekening.

    Het samenbrengen van klantsegmenten en de waarde die je levert is het moeilijkste wat er is. Een groot deel van de business die je doet draait hierom, het is het hart van de onderneming. Niet voor niets staat de waardepropositie midden in het business model. Het leveren van de perfecte waarde voor dat ene klantsegment is de zoektocht waar feitelijk nooit een einde aan komt. Je blijft onderzoeken, optimaliseren, uitvoeren en fact-checken. En dan begint het weer van voren af aan. Met bovenstaande tips en uitleg heb je een methodiek voor handen die een en ander kan structureren en duiding kan bieden. Op naar de ultieme fit!

  • Het Value Proposition Canvas: ontwerp de perfecte waardepropositie

    Het Value Proposition Canvas: ontwerp de perfecte waardepropositie

    Wanneer je aan de slag gaat met het bedenken, veranderen of innoveren van je business model, dan kom je ze vanzelf tegen: de waardepropositie die je aanbiedt en de klantsegmenten die je wilt bedienen. Welke segmentatie ga je hanteren en welke waarden ga je die klantsegmenten precies leveren? Om je te helpen bij het ontwerpen van je waardepropositie kun je gebruik maken van het Value Proposition Canvas of Waardepropositie Canvas in het Nederlands. Deze verdieping op het Business Model Canvas (uit het boek Business Model Generation of Business Model Generatie in het Nederlands) is een onmisbare tool voor iedere marketeer.

    (meer…)